Examples from the LingQ library
- van 1 tot 10 Tellen, van een tot tien
- verstoppertje spelen zullen sneller tellen: een, twee, drie, vier
- van 11 tot 100 Tellen, van elf tot twintig
- zeventien, achttien, negentien, twintig. Tellen, van eenentwintig tot dertig
- zevenentwintig, achtentwintig, negenentwintig, dertig. Tellen van twintig tot honderd
- u geeft, nauwkeurig zal tellen. De hemel sterke u
- Don Quichot begon te tellen. Vijf of zes klappende
- voordat hij drie kon tellen." "Geduld, edele ridder, nog
- standbeeld stond hij daar. Tellen, dacht hij. Gewoon driemaal
- tot zestig tellen. Rustig... Hij telde. Langzaam
- stemmen en begint het tellen. Het bureau is gesloten

